Featured Review
Search

Over 'presence', Pippiniden en de droge toast van Proust


Pepijn de Korte, een der Pippiniden.

‘Presence’ of ‘tegenwoordigheid’ is een concept van onder meer de geschiedfilosoof en psycholoog Eelco Runia. Hij wil ermee uitdrukken dat het verleden tegenwoordig kan zijn in het heden. Hij omschrijft het begrip zo: 'het ongerepresenteerd aanwezig zijn van het verleden in het hier en nu.' Het gaat er Runia onder meer om dat we contact kunnen maken met objecten uit het verleden, zonder dat we erbij al onze tijdens ons leven opgedane kennis en betekenisgeving betrekken, zonder dat we al ons vermogen om dingen in een narratieve context te zien erbij gebruiken, opdat het werkelijke verleden zich aan ons kan openbaren. Objecten uit het verleden hebben an sich een betekenis, die los staat van de interpretatie van het subject dat waarneemt en deze ware aard van objecten dringt zich in het presencebegrip aan deze waarnemer op. Runia stelt verder ook: ‘Op het moment dat ‘’tegenwoordigheid’’ werkzaam is gebruiken niet wij het verleden, maar gebruikt het verleden ons.’

Dat is een voor een historicus interessant uitgangspunt. Welke geschiedschrijver droomt er niet van in contact met het verleden te komen zoals het werkelijk was? Welke geschiedschrijver droomt er niet van te ervaren hoe het was om werkelijk in het verleden te functioneren? Om echt te beseffen wat de vroegere betekenis was van een overgeleverd object, zoals een zwaard of een kruik bestemd voor mede?

In wat volgt wil ik eerst tonen waarom het presence-begrip niet zo overtuigend is en vervolgens wil ik aangeven waarom ik meen dat het zoeken naar betekenis of ‘meaning’, een activiteit die door Runia als wezensvreemd aan presence wordt gezien, wel zinvol is voor historici en andere wetenschappers die zich met het verleden bezig houden.

Het probleem met het presence-begrip is dat het ervaren van of in contact komen met de tegenwoordigheid van het discontinue verleden illusoir is. De menselijke cultuur wordt steeds complexer en we begrijpen elk voorwerp, elke klank, elke tekst uit het verleden alleen met behulp van onze huidige narratieve, betekenis verlenende context, de optelsom van alle vroegere contexten waarin voorwerpen functioneerden. Misschien is de term 'optelsom' te absoluut voor wat ik wil beschrijven en moeten we eerder spreken van het semiotisch residu. Ik gebruik 'residu' niet in de strikte scheikundige betekenis, maar beschouw het als een rest die ergens achterblijft over overblijft. Nog concreter: ik vat een semiotisch residu op als een betekenisrest die zich heeft gehecht aan een voorwerp. (Voor meer over het semiotisch residu zie: hier)

Elk overblijfsel uit het verleden had voor de subjecten die het gebruikten een bepaalde betekenis die was opgebouwd uit connotaties, associaties en reflecties die verwezen naar zowel het toenmalige heden als naar wat vooraf ging. Aan elk (type) voorwerp hebben zich, zoals gezegd, in de loop van de tijd betekenisrestanten gehecht. Natuurlijk niet in de letterlijke zin, maar overdrachtelijk. Bij het semiotisch residu gaat het me om hetgeen er in de huidige betekenis is achtergebleven aan eerdere betekenissen die met het voorwerp in kwestie worden geassocieerd. Ik maak daarbij een koppeling tussen semiotiek (tekenleer) en betekenisgeving zoals onder meer de cultuurwetenschapper Stuart Hall beschrijft.

Volwassen mensen kunnen niet anders dan steeds overal betekenissen aan geven, dat is ook wat hen interessant maakt voor andere volwassen mensen. In zekere zin heeft het concept ‘presence’ iets kinderlijks. We zouden volgens diegenen die het concept hanteren in werkelijke communicatie kunnen komen met een ongerepresenteerd tastbaar voortbrengsel uit een maatschappij die minder complex was dan de onze. Maar in feite kunnen we slechts (enigszins) in contact komen met onze eigen doorleefde tijd als heel jong kind toen we nog niet (of beperkt) konden reflecteren en associëren, dingen in een betekenisvolle context konden plaatsen, toen het genoemde semiotisch residu zich (althans voor ons) nog niet aan een voorwerp had kunnen hechten. Bij een presence-ervaring gaat het, lijkt me, eerder om een ‘gut feeling’ aangaande onze eigen vroege jeugd als onontwikkeld mens (op rationeel en emotioneel vlak) dan dat het verleden (van vóór onze jeugd) werkelijk ervaren wordt of zich aan ons opdringt.

Ook in het verleden zelf functioneerde elk voorwerp of verschijnsel in een bepaalde associatieve context, die voortkwam uit eerdere contexten. Het is dan ook onduidelijk wat er precies ‘tegenwoordig’ is als men een presence-ervaring heeft. Om contact met welk in een context ingebed moment uit het verleden gaat het daarbij precies? Ieder voorwerp uit een bepaalde tijd uit het verleden verwijst immers weer naar een nog verder terugliggend verleden, naar nog eerdere verhalende contexten. Zo wisten ridders in het jaar 1200 dat zwaarden al lang bestonden en dat het gebruik ervan mannen macht en aanzien had verschaft in eerdere tijdperken. Zij wisten hoe zwaarden van oudsher gemaakt werden en dat de beheersing van het vuur door de mens aan de basis lag van deze zwaardcultuur, van de meer dodelijke vormen van geweldsuitoefening. De vraag is dan ook met welk verleden een hedendaagse historicus contact zou hebben als hij in aanraking komt met een dertiende-eeuws zwaard.

Het presence-begrip is door Runia wel in verband gebracht met retro-mode en nostalgie, die voor hem blijkbaar staan voor een soort hersenloos contact met het verleden. (Voor meer over nostalgie zie hier) In werkelijkheid is nostalgie een veelvorming verschijnsel, waarbij cognitie, emotie en zintuiglijkheid verenigd worden. Een fenomeen ook waarbij vreugde en een verlieservaring inzake het verleden bij elkaar komen, waarbij reflectie en intuïtie samen gaan.

Marcel Proust

Runia’s bondgenoot de historicus Leon ter Schure noemt in een artikel in het ‘Tijdschrift voor Geschiedenis’ het spreekwoordelijke madeleine-koekje (of cakeje) uit ‘Op zoek naar de verloren tijd’ van Marcel Proust als een voorbeeld van de manier waarop mémoire involontaire, ongewilde, passief ondergane herinnering functioneert. Deze ervaring van Proust maakt volgens Ter Schure duidelijk hoe het verleden zich aan ons opdringt, los van onze eigen wil. Door het proeven van deze versnapering in combinatie met de smaak en geur van thee kwam Proust weer in contact met zijn jeugdherinneringen, zo is de geijkte (en enigszins clichématige) visie. Deze zintuiglijke ervaring opende, geheel onverwacht, de deur naar het verleden voor de Franse literator.

In een eerdere versie van Prousts tekst was het echter droge toast en niet het madeleine-koekje die dit effect had, zo stelt The Guardian. Wat aantoont dat Proust bovenal een literator was die betekenis communiceerde aan de hand van deels verzonnen ervaringen. Het gaat om een literaire en dus kunstmatige constructie, niet om de tegenwoordigheid van het verleden in het toenmalige heden. Proust bedt de herinneringen in in een context van zintuiglijkheid, die echter niet op onproblematische wijze mag worden gezien als een uitbeelding van zijn eigen verleden of zelfs van ‘het’ verleden.

In zijn interessante studie ‘De pathologie van de veldslag’ laat Runia zien dat volgens Tolstoj in zijn klassieke ‘Oorlog en vrede’ toeval en chaos het geschiedverhaal bepalen, dat de geschiedenis niet volgens plan ten uitvoer wordt gebracht, dat bijvoorbeeld de feitelijke strijd op een slagveld niet veel te maken heeft met het uitvoeren van een coherente visie van generaals. Hierin heeft Tolstoj ongetwijfeld gelijk. Maar het is de vraag wat dit precies betekent voor de historicus. Moet hij of zij deze chaos (die in onze tijd alleen nog maar is toegenomen, zo lijkt het) ook in zijn teksten naar voren brengen, om de authentieke geschiedenis recht te doen? Dat lijkt me niet. ‘Oorlog en Vrede’ is zelf natuurlijk een (coherente) betekenisvolle constructie in een literaire context, maar dat is niet het punt dat ik wil maken. De historicus heeft een andere taak dan slechts het tonen van de chaos van het verleden. Hiermee zijn we opnieuw bij het begrip ‘meaning’ aanbeland.

De kracht van de historicus is het plaatsen van feiten in verbanden. Hij moet niet slechts historische namen noemen of opsommingen van gebeurtenissen bieden, of akkers van feitjes creëren die vervolgens door bijvoorbeeld filosofen of sociologen beploegd kunnen worden, nee hij moet zelf met analyses en concepten werken. Laat de historicus dit na, dan neemt hij er genoegen mee een ambachtsman te zijn, in plaats van een wetenschapper.

Laat ik aan de hand van het volgende zinnetje, dat uit een historisch handboek zou kunnen stammen, tonen wat de historicus nu precies doet:

In de loop van de achtste eeuw wisten de Pippiniden steeds meer de macht naar zich toe te trekken.

Dit lijkt op het eerste gezicht misschien een saai zinnetje vol feitelijkheid dat niet leeft of bruist. Maar schijn bedriegt. Er wordt in deze korte passage gewag gemaakt van een proces, van een tijdperk, van een dynastie en van het concept ‘macht’. Over elk begrip is zo een boekenplank vol te schrijven, het gaat om betekenis verlenende concepten. De historicus die een dergelijke passage neerpent geeft actief vorm aan het verleden. Als hij dit niet zou doen zou de lezer waarschijnlijk niets opsteken buiten de notie dat het verleden een bar en boze chaos was. Omdat het verleden een chaos was betekent dit nog niet dat de representatie van het verleden dat ook zou moeten zijn. Het is juist de kracht van de historicus om verbanden te leggen, om zaken te verklaren. Als hij slechts overmeesterd wil worden door het verleden, zonder dit naar zijn hand te zetten, zoals in het concept van ‘tegenwoordigheid’ geschiedt, dan verricht hij arbeid (als zijn activiteit al zo genoemd kan worden) die in zekere zin zinloos is. Hij maakt zichzelf overbodig. Een betekenisloze geschiedbeoefening biedt weinig aanknopingspunten voor toekomstige geschiedschrijving en zou dus alleen al om praktische redenen moeten worden afgewezen. Want praktisch toepasbaar op onderzoek lijkt me het presence-begrip niet. Tenzij men een doel maakt van samenhangloze teksten.

De historicus als Samson?

De historicus moet niet van zijn eigen kracht worden ontdaan, zoals Samson die zijn haren verloor aan Delilah, nee, hij moet deze kracht kunnen koesteren en in zichzelf stimuleren. Hij moet zich steeds verder ontwikkelen en niet zijn eigen sterke punten willen bestrijden. Orde scheppen in de chaos, er betekenis aan koppelen, is hetgeen hij kan. Het lijkt me onjuist om te veronderstellen dat betekenisloze geschiedenis ook betekenisloze geschiedschrijving zou moeten opleveren. Dat is hetzelfde als stellen dat een wetenschappelijk artikel over humor zelf ook humoristisch zou moeten zijn. Zonder historische narratieve context, historische analyse en historische betekenisvolle concepten zijn er slechts brokjes feit en chaos die de lezer niets meedelen. De goede historicus is een mens van vlees en bloed en een wetenschapper, een (geschied)filosoof en een kunstenaar, een literator en een vorser, een metaforenleverancier en een data-interpretator, een empaat en een analist. Juist zijn pogingen om met zoveel ballen te jongleren, maken hem waardevol voor de samenleving. Je slechts willen overgeven aan de illusoire tegenwoordigheid van het verleden lijkt me onvoldoende om de maatschappelijke relevantie van de historicus in de toekomst te waarborgen. Het verleden heeft misschien geen betekenis, maar dit resulteert niet per se of per se niet in een betekenisloze geschiedschrijving met louter discontinuïteit. Zonder betekenis is er geen communicatie tussen historici en lezers. Samenhang verlenende concepten als de Industriële Revolutie, de Karolingische Renaissance of metaforen als ‘de zieke oude man van Europa’ of ‘de dolkstootlegende’ maken het mogelijk om over het verleden van gedachten te wisselen. Zonder dergelijk taalgebruik is er slechts een feitenbrij, waar niemand wat aan heeft, omdat iedere duiding ontbreekt. Het lijkt me niet erg praktisch voor historici om zichzelf irrelevant te maken.

Zie voor een Engelstalig artikel over nostalgie hier.

Zie voor een artikel over verledenheid, in zekere zin het tegenovergestelde van 'presence' hier

Voor een artikel over het semiotisch residu zie: hier

Tag Cloud

© 2023 by The Book Lover. Proudly created with Wix.com

  • Facebook B&W
  • Twitter B&W
  • Google+ B&W